Afdeling Doesburg
Dhr. H.W. Lensink (Henk)
E: hwlensink@gmail.com

Wmo

De Wmo in het kort
De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bestaat sinds 2015 en is bedoeld voor alle mensen die niet meer op eigen kracht zelfstandig kunnen functioneren, ook niet met behulp van familie, buren en vrienden. De Wmo verplicht de gemeente in die gevallen om bij te springen en te zorgen voor de nodige ondersteuning om zelfstandig te kunnen blijven wonen en mee te doen in de maatschappij. Dit kan onder andere in de vorm van het bieden van hulp bij het schoon en leefbaar houden van het huis, woningaanpassingen, regelen van vervoer in de regio, organiseren van dagbesteding en nog veel meer.
Wie voert de Wmo uit?
De gemeente voert de Wmo uit. De rijksoverheid heeft de landelijk geldende regels voor de Wmo in een wet vastgelegd en heeft daarin de gemeenten belast met de uitvoering van de Wmo. Gemeenten ontvangen hiervoor geld van de rijksoverheid. De gemeenten mogen zelf bepalen hoe zij de Wmo precies uitvoeren. Dit betekent dat er verschillen bestaan tussen de Wmo-hulp in de ene gemeente en in de andere. Wel moeten gemeenten zich houden aan de landelijke wetgeving van de rijksoverheid en aan uitspraken van de rechter over de manier waarop de Wmo-regels moeten worden toegepast.
Op welke wijze voert de gemeente de Wmo uit?
Er bestaan twee soorten Wmo-ondersteuning: maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. Een maatwerkvoorziening is afgestemd op de persoonlijke situatie en vereist een persoonlijk onderzoek vooraf. Maatwerkvoorzieningen bestaan bijvoorbeeld uit vervoer in de regio – voor mensen die slecht ter been zijn en niet met het openbaar vervoer kunnen reizen – individuele begeleiding, dagbesteding op maat, woningaanpassingen als een traplift of een verhoogd toilet en ondersteuning van mantelzorgers. Bij een algemene voorziening is voorafgaand onderzoek naar persoonlijke omstandigheden niet nodig. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: een boodschappen-dienst, warme maaltijdverstrekking en het gebruiken van faciliteiten van buurthuizen en verenigingen.
Wat betaalt de ontvanger zelf voor de geboden ondersteuning?
In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III werd in 2017 afgesproken dat er een vast abonnementstarief zou komen voor huishoudens die gebruikmaken van Wmo-hulp. Uiteindelijk is het abonnementstarief pas in 2019 ingevoerd. Gemeenten mogen nu maximaal een tarief van €17,50 vragen per vier weken voor Wmo-hulp in de vorm van maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Het tarief van €17,50 is een maximumtarief. Gemeenten mogen niet meer in rekening brengen, maar hebben wel mogelijkheden om lagere tarieven of nultarieven te hanteren. Voor algemene voorzieningen mag de gemeente een aparte eigen bijdrage vragen.
Wat verandert er in 2020?
Het kabinet wil vanaf 2020 een nieuwe wet invoeren waarin het Wmo-abonnement ‘definitief’ wordt geregeld; de situatie in 2019 is een tussenoplossing. Het wetsvoorstel hierover is eind maart in de Tweede Kamer besproken. KBO-PCOB heeft samen met andere organisaties voor meer zekerheden gepleit. De organisaties zijn positief over het wetsvoorstel voor de invoering van het abonnementstarief, maar ze benadrukken twee risico’s: verslechtering van het zorgaanbod en financiële achteruitgang voor lagere inkomens. De stapeling van kosten is een groot probleem voor veel senioren en mensen met een beperking of chronische ziekte. De kosten vormen een belemmering voor het zo zelfstandig mogelijk inrichten van het leven en deelnemen aan de samenleving. Daarom is de commissie VWS in een uitgebreide brief met onderbouwde argumenten verzocht tijdens het debat in de Tweede Kamer een aantal vragen te stellen. Die gaan onder meer over de discussie tussen rijk en gemeenten rond budgetten en over het verminderen van de stapeling van zorgkosten. Zoals het er nu naar uitziet, gaat het abonnementstarief naar €19,00 per maand en kan het abonnementstarief ook gaan gelden voor sommige algemene Wmo-voorzieningen.

<< Vorige pagina